ECLI:NL:RBDHA:2018:7397

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juni 2018
Publicatiedatum
21 juni 2018
Zaaknummer
C/09/540913 / HA ZA 17-1063
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 Wet griffierechten burgerlijke zakenArt. 31 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 32 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArtikel 6 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verbetering verstekvonnis wegens griffierecht verhoging

Eiser verzocht de rechtbank om verbetering van het verstekvonnis van 21 maart 2018, omdat het griffierecht onjuist was vermeld: € 78 in plaats van € 883. De rechtbank constateerde dat de toevoegingsaanvraag voor gesubsidieerde rechtsbijstand was afgewezen door de Raad voor Rechtsbijstand, maar dit niet was gemeld aan de griffier, noch was het verhoogde griffierecht voldaan.

De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 31 Rv Pro alleen kennelijke fouten die zich lenen voor eenvoudig herstel kunnen worden verbeterd. De griffierechtverhoging was geen kennelijke fout, maar het gevolg van de afwijzing van de toevoegingsaanvraag en het niet voldoen van het hogere griffierecht.

Verder stelde de rechtbank dat apparaatsfouten, zoals het niet controleren door de griffier voorafgaand aan het vonnis, niet onder artikel 31 Rv Pro vallen. Daarom kon de rechtbank het verstekvonnis niet verbeteren en wees het verzoek af.

De uitspraak werd gedaan door rechter M.J. Alt-van Endt op 20 juni 2018.

Uitkomst: Het verzoek tot verbetering van het verstekvonnis wegens een onjuist griffierechtbedrag wordt afgewezen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/540913 / HA ZA 17-1063
Vonnis van 20 juni 2018
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat: voorheen mr. A. Latour te Utrecht, thans mr. M.H.M. Verbeemen te Utrecht,
tegen
[gedaagde],
zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in Nederland of daarbuiten,
gedaagde,
niet verschenen.

1.Het verzoek tot verbetering

1.1.
Bij brief van 16 mei 2018 heeft eiser de rechtbank verzocht om verbetering van het op 21 maart 2018 in deze zaak gewezen vonnis, in die zin dat daarin het juiste bedrag wordt opgenomen dat aan griffierecht in rekening is gebracht, te weten € 883,-- in plaats van € 78,--.
1.2.
Gedaagde is, gezien de inhoud van de hierna vermelde beslissing, niet in de gelegenheid gesteld op dit verzoek te reageren.

2.De beoordeling

2.1.
Eiser heeft bij het aanbrengen van de zaak een toevoegingsaanvraag overgelegd. Op die grond heeft de griffier op 22 november 2017 een bedrag van € 78,-- aan griffierecht geheven. Thans blijkt echter dat de Raad voor Rechtsbijstand het verzoek om gesubsidieerde rechtsbijstand bij brief van 11 oktober 2017 heeft afgewezen. De advocaat van eiser heeft de griffier hiervan niet op de hoogte gebracht, noch heeft eiser eigener beweging het verhoogde griffierecht voldaan, zoals artikel 16 lid 3 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) voorschrijft. Vervolgens is een verstekvonnis gewezen op 21 maart 2018. Hierbij heeft de rechtbank acht geslagen op het geheven griffierecht voor onvermogenden en is ervan uitgegaan dat inmiddels aan eiser een toevoeging was verleend. Na afgifte van het vonnis heeft de griffier telefonisch contact opgenomen met de advocaat van eiser met het verzoek de definitieve toevoeging over te leggen. Bij faxbericht van 26 maart 2018 heeft de advocaat van eiser aan de griffier bericht dat het verzoek om gesubsidieerde rechtsbijstand is afgewezen, waarbij hij de financiële afwijzing van de Raad voor Rechtsbijstand van 11 oktober 2017 heeft gevoegd. Op die grond heeft er op 28 maart 2018 een naheffing van het griffierecht plaatsgevonden.
2.2.
Met toepassing van artikel 31 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter zijn uitspraak verbeteren als sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Buiten het toepassingsbereik van art. 31 Rv Pro. (en artikel 32 Rv Pro.) kan de rechter niet zelf de rechtskracht van zijn uitspraak aantasten. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat die aantasting is voorbehouden aan de hogere rechter, aan wie door aanwending van een rechtsmiddel kan worden gevraagd een uitspraak uit de vorige instantie te vernietigen (HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3476). Dat geldt ook als sprake zou zijn van een procesvoering die niet voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM Pro.
2.3.
Het bepaalde in artikel 16 Wgbz Pro brengt mee dat de griffier het hogere griffierecht heft, indien bij het wijzen van het vonnis geen toevoeging is overgelegd. In dit geval heeft de griffier oorspronkelijk, afgaande op de toevoegingsaanvraag, overeenkomstig art. 16 lid 2 Wgbz Pro, het griffierecht voor onvermogenden geheven. Het verhoogde griffierecht is verschuldigd geworden op het moment dat de toevoeging werd geweigerd. Eiser heeft de griffier daarvan niet op de hoogte gesteld. De griffier heeft kennelijk niet voorafgaand aan de uitspraakdatum gecontroleerd of de toevoeging was verleend, dan wel geweigerd, noch of het verhoogde griffierecht was gestort. Voor de griffier was dat evenwel ook niet strikt noodzakelijk, omdat hij ook na de uitspraak nog aanspraak kan maken op het verhoogde griffierecht. Wel heeft deze hele gang van zaken tot consequentie dat bij de proceskostenveroordeling door de rechtbank geen rekening kon worden gehouden met het verhoogde griffierecht.
2.4.
In het vonnis is dus geen sprake van een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel, nu de rechtbank is uitgegaan van de situatie zoals die op dat moment was. Voor zover de omstandigheid dat de griffier niet voorafgaand aan de uitspraakdatum heeft gecontroleerd of de toevoeging was verleend, dan wel geweigerd noch of het verhoogde griffierecht was gestort al als een apparaatsfout zou moeten worden aangemerkt, hetgeen - gelet op het voorgaande - niet voor de hand ligt, geldt dat apparaatsfouten buiten het bereik van artikel 31 Rv Pro. vallen en dus niet tot herstel van een vonnis kunnen leiden.
2.5.
Het verzoek tot herstel moet daarom worden afgewezen.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
wijst het verzoek om verbetering van het op 21 maart 2018 tussen eiser en gedaagde gewezen verstekvonnis af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2018. [1]

Voetnoten

1.type: 1366