Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[naam] ,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Conclusie
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Amerikaans staatsburger, vroeg om verlenging van zijn verblijfsvergunning op grond van het Nederlands-Amerikaans vriendschapsverdrag. Verweerder wees dit af omdat het in de onderneming geïnvesteerde kapitaal niet voldeed aan het vereiste minimum van €4.500, waarbij geleend kapitaal niet meetelt.
Eiser voerde aan dat een gecorrigeerde jaarrekening en aanvullende stukken, waaronder een brief van zijn accountant en een dollarrekening in de VS, aantoonden dat het eigen vermogen hoger was dan aanvankelijk vastgesteld. De rechtbank achtte deze stukken onvoldoende onderbouwd en niet overtuigend, mede omdat het niet duidelijk was of het geld op de dollarrekening daadwerkelijk tot het in Nederland geïnvesteerde kapitaal behoorde.
De rechtbank concludeerde dat verweerder het bezwaar terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard en dat het beroep ongegrond is. Ook het verzoek om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen werd afgewezen omdat de rechtbank inmiddels op het beroep had beslist.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verlenging van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.