ECLI:NL:RBDHA:2018:7389
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende persoon, diende op 22 maart 2018 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat op basis van de Dublinverordening Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Nederland had een verzoek tot terugname aan Duitsland gedaan, dat dit verzoek had aanvaard.
Eiser stelde zich op het standpunt dat Duitsland niet voldoet aan de vereisten van de asielprocedure en opvangvoorzieningen, en dat hij daar geen adequate rechtsbijstand en opvang heeft ontvangen. De rechtbank oordeelde dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt en verwees naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat ervan uitgaat dat Duitsland zijn internationale verplichtingen nakomt. Ook werd overwogen dat eiser eventuele klachten over de Duitse procedure bij de Duitse autoriteiten moet indienen.
Daarnaast faalde het beroep van eiser op artikel 16 en Pro 17 van de Dublinverordening, omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij een oom in Nederland heeft die van hem afhankelijk is. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het besluit om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.