ECLI:NL:RBDHA:2018:6680
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot inzage stukken benoeming plaatsvervangend voorzitter raad van discipline
In deze kortgedingprocedure vordert eiser dat de Staat wordt veroordeeld tot het verstrekken van alle documenten waaruit blijkt dat de bevoegdheid tot benoeming van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline is overgegaan van de minister van Veiligheid en Justitie naar de minister voor Rechtsbescherming, en dat de Portefeuilleverdeling rechtsgeldig is bekrachtigd.
Eiser baseert zijn vordering op artikel 46b van de Advocatenwet en stelt dat indien de benoeming van mr. Van der Molen niet rechtsgeldig is, de beslissing van de raad van 10 april 2018 nietig is. De Staat voert aan dat alle relevante stukken reeds aan eiser zijn verstrekt en dat uit deze stukken blijkt dat de minister voor Rechtsbescherming bevoegd was tot de benoeming.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de Staat heeft verklaard niet over andere stukken te beschikken dan reeds verstrekt. Gezien deze verklaring is het niet aannemelijk dat de door eiser gevraagde documenten bestaan. De vordering wordt daarom afgewezen. Eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding. Het vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en op 7 juni 2018 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De vordering tot verstrekking van documenten over de benoeming wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van het bestaan van die stukken.