ECLI:NL:RBDHA:2018:6420
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard wegens subsidiaire bescherming in Duitsland
Eiser, van Eritrese nationaliteit, diende op 15 maart 2018 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 31a van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser in Duitsland internationale bescherming geniet. Dit werd gebaseerd op informatie van de verbindingsambtenaar in Duitsland, waar eiser op 6 juli 2016 asiel had aangevraagd en op 14 februari 2017 subsidiaire bescherming was verleend.
Eiser voerde aan minderjarig te zijn en sterkere banden met Nederland te hebben, onderbouwd met documenten en verwijzingen naar het Handvest van de Grondrechten van de EU en het IVRK. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder terecht uitging van de Duitse gegevens en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij minderjarig is of sterkere banden met Nederland heeft dan met Duitsland.
De rechtbank toetste of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden had betrokken bij zijn belangenafweging en concludeerde dat dit het geval was. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard en de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkheid van de asielaanvraag wegens subsidiaire bescherming in Duitsland.