Uitspraak
(gemachtigde: L.M. Taal),
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft de vraag of de Ziektewetuitkering die in 2010 aan [persoon 4] is toegekend, moet worden aangemerkt als toegekend op grond van artikel 29 lid 2 sub c van Pro de Ziektewet (werknemer met dienstverband dat tijdens eerste 104 weken ziekte eindigt) of sub d (zieke werkloze). [persoon 4] was vanaf januari 2010 in dienst en meldde zich ziek in augustus 2010. Het dienstverband eindigde in oktober 2010 waarna UWV een Ziektewetuitkering toekende. De inspecteur rekende de WGA-uitkering die volgde toe aan de Werkhervattingskas (Whk) voor het bepalen van het premiepercentage.
Eiseres stelde dat [persoon 4] als zieke werkloze moet worden aangemerkt omdat zij vanuit de WW ziekgemeld zou zijn, wat zou betekenen dat de WGA-uitkering niet ten laste van de Whk komt. De rechtbank oordeelde echter dat onvoldoende feiten zijn gesteld die aannemelijk maken dat [persoon 4] naast doorbetaald loon ook een WW-uitkering genoot bij beëindiging dienstverband. De beschikbare rapporten en documenten wijzen erop dat zij een werknemer was die ziek was bij einde dienstverband.
Daarmee is de WGA-uitkering terecht toegerekend aan eiseres en komt deze voor de berekening van het gedifferentieerd premiepercentage Whk voor haar rekening. Het beroep is ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres is ongegrond verklaard en de WGA-uitkering is terecht toegerekend aan eiseres voor de Whk-premie.