ECLI:NL:RBDHA:2018:6336
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid asielaanvraag wegens subsidiaire bescherming in Duitsland
Eiser, van Eritrese nationaliteit, diende op 15 maart 2018 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 31a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser in Duitsland internationale bescherming geniet. Uit onderzoek van de verbindingsambtenaar bleek dat eiser op 6 juli 2016 in Duitsland asiel heeft aangevraagd en op 14 februari 2017 subsidiaire bescherming is verleend.
Eiser voerde aan dat hij minderjarig is en sterkere banden met Nederland heeft, onder meer omdat hij een nicht in Nederland heeft. Hij betwistte de Duitse geboortedatum en verwees naar internationale kinderrechten en een eerdere uitspraak van deze rechtbank. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht is uitgegaan van de Duitse beschermingsstatus en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij minderjarig is of sterkere banden met Nederland heeft.
De rechtbank concludeerde dat verweerder de asielaanvraag terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en verklaarde het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege de subsidiaire bescherming in Duitsland; het beroep wordt ongegrond verklaard.