Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2018 in de zaak tussen
[B.V. X], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
‘het uitoefenen van bedrijfsmaatschappelijk werk’. Reeds om deze redenen mist de vrijstelling in dit geval toepassing. Dat UBR bij de facturatie (via ‘self billing’) op de door eiseres verrichte dienstverlening wel de vrijstelling toepast, is hierbij naar het oordeel van de rechtbank niet relevant en maakt dit dan ook niet anders.
“overeenkomst, inzake inhuur van bedrijfsmaatschappelijk werker”is gesloten. Deze inhuur ziet op een opdracht tot het verlenen van diensten op het gebied van bedrijfsmaatschappelijk werk. De opdrachtnemer (eiseres) stelt hiervoor haar (enig) werknemer (en medeaandeelhouder) [persoon 1] beschikbaar. [persoon 1] is beschikbaar gesteld door eiseres vanwege de vereiste kwalificaties op het gebied van bedrijfsmaatschappelijk werk. Op basis van de overeenkomst met UBR is eiseres ook gehouden deze werkzaamheden door [persoon 1] in persoon te laten verrichten. Verder is in de overeenkomst neergelegd dat in geval eiseres niet meer in staat is de taken uit te doen voeren door [persoon 1], eiseres dan op grond van artikel 22 ARVODI Pro de overeenkomst kan opzeggen en/of ontbinden. Eiseres wordt door UBR op declaratiebasis betaald voor haar dienstverlening. Onder deze omstandigheden is de rechtbank, gelet op de huidige wet- en regelgeving en geldende jurisprudentie, van oordeel dat de dienst die eiseres levert aan UBR kwalificeert als het uitlenen van personeel, welke dienst vergelijkbaar is met de diensten die uitzendbureaus verlenen en welke zijn belast naar het algemene tarief. De rechtbank trekt daarbij een vergelijk met het geval waarover de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 11 augustus 2017, nr. 15/03805, ECLI:NL:HR:2017:1606. In dat geval was sprake van basisartsen en medisch specialisten in dienst van een BV die door tussenkomst van die BV medische diensten aan ziekenhuizen verlenen. In dat arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat onder de omstandigheden van dat geval sprake was van uitlenen van personeel. De rechtbank ziet, gelet op de overeenkomsten tussen die zaak en de onderhavige, geen aanleiding in dit geval tot een andere conclusie te komen. Anders dus dan eiseres stelt, acht de rechtbank de onderwerpelijke situatie niet zodanig verschillend van de situatie waarover de Hoge Raad in voornoemd arrest heeft geoordeeld, om het oordeel van de Hoge Raad voor die situatie niet ook van toepassing te kunnen achten in deze zaak.