De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de moeder tot teruggeleiding van haar kind uit Nederland naar Duitsland op grond van het Haagse Verdrag internationale kinderontvoering. De moeder vordert onmiddellijke terugkeer van het kind, dat ongeoorloofd in Nederland wordt vastgehouden door de vader zonder haar toestemming.
De rechtbank oordeelt dat de gewone verblijfplaats van het kind medio juni 2015 is gewijzigd van Nederland naar Duitsland, waar het gezin zich vestigde. De vader heeft onvoldoende aangetoond dat de moeder toestemming heeft gegeven om het kind in Nederland te houden na februari 2017, waardoor de vasthouding in Nederland ongeoorloofd is.
De vader beroept zich op een weigeringsgrond wegens risico op gevaar voor het kind, maar de rechtbank acht dit niet aannemelijk gelet op de gemotiveerde betwisting en hulpverlening aan de moeder. De onmiddellijke terugkeer wordt daarom bevolen.
Gezien de verstoorde communicatie tussen ouders en de ontwikkeling van het kind, stelt de rechtbank het kind voorlopig onder toezicht van een gecertificeerde instelling om veilige overdracht en contact met beide ouders te waarborgen. Tevens wordt crossborder mediation aanbevolen. De vader wordt veroordeeld tot vergoeding van de gemaakte kosten.