ECLI:NL:RBDHA:2018:5896
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bezwaar tegen hoogte leges voor verblijfsvergunning regulier
Eiseres, met de Pakistaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het doel arbeid te zoeken en verrichten. Zij betaalde hiervoor €622,00 aan leges. Na instemming met de aanvraag maakte eiseres bezwaar tegen de hoogte van het legesbedrag, dat door verweerder werd afgewezen. Eiseres stelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd dat het legesbedrag kostendekkend en evenredig was, en dat zij ten onrechte niet was gehoord.
De rechtbank overwoog dat verweerder de kostendekkendheid van het legesbedrag voldoende had toegelicht, onder meer met verwijzing naar een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak. De rechtbank vond dat de uitleg over de berekening van de leges en het ontbreken van representatieve kostprijzen aannemelijk was. Ook oordeelde de rechtbank dat het legesbedrag niet in strijd was met artikel 10 van Pro de Single Permit-richtlijn, omdat het evenredig is en gebaseerd op de feitelijke diensten.
Verder wees de rechtbank het verzoek af om vertrouwelijke correspondentie over een lopende Europese infractieprocedure te overleggen. Ten slotte stelde de rechtbank dat verweerder het bezwaar terecht kennelijk ongegrond had verklaard, omdat uit het bezwaarschrift zelf reeds bleek dat het bezwaar ongegrond was. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit over de hoogte van het legesbedrag wordt ongegrond verklaard.