ECLI:NL:RBDHA:2018:5313
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning bij partner wegens ontbrekende mvv en paspoort
Eiser, een Turkse staatsburger, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij zijn partner, maar werd afgewezen omdat hij niet beschikte over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en geen geldig paspoort kon overleggen. De staatssecretaris wees het verzoek af op grond van artikel 17 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, artikel 13 van Pro Besluit 1/80 en artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank overwoog dat eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste, mede omdat hij niet als gezinslid van een Turkse werknemer kan worden aangemerkt volgens het arrest Demir van het Hof van Justitie. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en de hardheidsclausule faalde wegens onvoldoende onderbouwing.
Verder oordeelde de rechtbank dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro in het nadeel van eiser uitvalt, omdat hij geen rechtmatig verblijf had en het gezinsleven met zijn partner ook in Turkije kan worden uitgeoefend. Het ontbreken van bewijs voor een strafrechtelijke veroordeling in Turkije en het ontbreken van een objectieve belemmering om een paspoort te verkrijgen, ondersteunen dit oordeel.
Ten slotte stelde de rechtbank vast dat het horen van eiser in bezwaar niet verplicht was, omdat redelijkerwijs geen andersluidend besluit kon worden verwacht. Het beroep werd ongegrond verklaard en de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State werd vermeld.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van mvv, paspoort en vrijstellingsgronden.