ECLI:NL:RBDHA:2018:4689

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 maart 2018
Publicatiedatum
20 april 2018
Zaaknummer
NL18.2212
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 30b lid 1 onder b Vw 2000Art. 31 lid 1 Vw 2000Artikel 3 EVRMVluchtelingenverdrag 1951
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens kennelijke ongegrondheid niet-ontvankelijk verklaard

Eiser, geboren in 1997 en afkomstig uit de Westelijke Sahara, diende op 24 november 2016 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij stelde dat terugkeer naar zijn land van herkomst onmogelijk is vanwege mishandelingen en discriminatie, onder meer vanwege zijn vermeende homoseksualiteit. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond op grond van de Vreemdelingenwet 2000, waarbij werd aangenomen dat Algerije als veilig land van herkomst geldt en eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij bescherming nodig had.

Eiser voerde aan dat hij homoseksueel of biseksueel is en dat hij in Algerije geen bescherming kan verwachten, mede omdat hij staatloos is. Tijdens de zitting gaf de gemachtigde van eiser aan dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken en geen contact meer had onderhouden. De rechtbank overwoog dat eiser daardoor geen belang heeft bij inhoudelijke behandeling van het beroep.

De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter E.S.G. Jongeneel en griffier J.C. de Grauw op 20 maart 2018. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang door het ontbreken van contact met zijn gemachtigde.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.2212

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Jankie),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Smit).

ProcesverloopBij besluit van 31 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.2213, plaatsgevonden op 27 februari 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1997 en stelt de nationaliteit van de Westelijke Sahara te hebben. Hij heeft op 24 november 2016 de onderhavige aanvraag ingediend.
2. Eiser heeft – samengevat weergegeven – aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij geboren en getogen is in de Westelijke Sahara. Eiser kan echter niet terugkeren, omdat hij daar veel problemen zal krijgen en zijn toekomst onzeker is. Zo heeft eiser geen huis, werk en toekomst. Eiser heeft verklaard dat hij in [plaats 1] is mishandeld door een aantal hasjhandelaren, omdat zij hem in verband brachten met de arrestatie van de broer van één van de hasjhandelaren. Voorts is eiser in [plaats 2] mishandeld door drie personen, nadat zij hem betrapten op het hebben van seksueel contact met een man.
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 afgewezen als kennelijk ongegrond en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd.
Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiser als relevant gekwalificeerd:
1) de nationaliteit, identiteit en het land van herkomst;
2) mishandelingen als gevolg van problemen met hasjhandelaren in [plaats 1] en problemen vanwege seksuele contacten in [plaats 2];
3) de homoseksuele of biseksuele geaardheid van eiser;
4) de algemene situatie in het gebied van herkomst en de Westelijke Sahara.
Verweerder heeft de verklaringen van eiser over zijn identiteit en herkomst geloofwaardig geacht. Eiser wordt echter niet gevolgd in zijn verklaring de nationaliteit van de Westelijke Sahara te hebben. Nu niet is gebleken dat eiser door een land als onderdaan wordt erkend, wordt eiser door verweerder als staatloos aangemerkt. De verklaringen van eiser over de mishandelingen als gevolg van zijn problemen met hasjhandelaren in [plaats 1] en de problemen vanwege seksuele contacten in [plaats 2] alsook over de algemene situatie in het gebied van herkomst en de Westelijke Sahara heeft verweerder geloofwaardig geacht. Daarentegen heeft verweerder niet geloofwaardig geacht dat eiser een homoseksuele of biseksuele geaardheid heeft.
In het geval van eiser wordt Algerije als land van herkomst aangemerkt. Algerije kan worden beschouwd als een veilig land van herkomst. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Algerije ten aanzien van hem zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en dat, indien er zich problemen voordoen in Algerije, er voor hem geen mogelijkheid bestaat om tegen deze problemen de bescherming van de autoriteiten in te roepen.
Eiser kan niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) (het Vluchtelingenverdrag). De door eiser ondervonden problemen hebben niet plaatsgevonden in het land van herkomst en worden derhalve niet getoetst aan inwilligbaarheid op grond van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van de door hem ondervonden problemen in zijn land van herkomst problemen zal ondervinden. Voorts heeft eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe – samengevat weergeven – aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht dat hij homoseksueel dan wel biseksueel is. Eiser wenst vrij te zijn in zijn keuze voor een relatie met een man of een vrouw en is bij terugkeer beperkt in zijn seksualiteit. Eiser betoogt voorts dat de wijze van toetsing van de homoseksualiteit of biseksualiteit onzorgvuldig heeft plaatsgevonden. Tot slot betoogt eiser dat Algerije niet als een veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. Zo komt Algerije in relatie tot LHBT-ers zijn verdragsverplichtingen niet na. Aangezien eiser staatloos is, kan hij niet vanzelfsprekend rekenen op bescherming door de Algerijnse autoriteiten.
5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
6. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat zij het weekend voorafgaand aan de zitting te horen heeft gekregen dat eiser met onbekende bestemming (mob) is vertrokken. Zij geeft aan dat zij twee maanden voor de zitting, en derhalve reeds voor het indienen van het beroepschrift, voor het laatst contact met eiser heeft gehad. In reactie hierop heeft verweerder aangegeven dat de mob-melding reeds van juli 2017 is.
7. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:534), overweegt de rechtbank dat eiser kennelijk geen prijs stelt op een inhoudelijke beoordeling van het beroep, nu hij geen contact met zijn gemachtigde heeft onderhouden. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde beroep.
8. Om die reden verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2018.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel