Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 30 januari 2018 in de zaak tussen
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Procesbelang
Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat artikel 15 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn slechts van toepassing is op een Unierechtelijke verblijfstitel voor langdurig ingezetenen. Eiser heeft een dergelijke verblijfsvergunning nooit aangevraagd. Verweerder heeft de aan het familie- en gezinsleven van eiser te ontlenen belangen daarom terecht getoetst aan de in de arresten Boultif en Üner gegeven criteria en hierbij de ernst en aard van de inbreuken en het risico dat van eiser uitgaat beoordeeld, aldus verweerder.
In die omstandigheden veronderstelt het begrip „gevaar voor de openbare orde” als bedoeld in artikel 7, lid 4, van die richtlijn, hoe dan ook dat er, naast de verstoring van de maatschappelijke orde die bij elke wetsovertreding plaatsvindt, sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast (zie naar analogie arrest Gaydarov, C‑430/10, EU:C:2011:749, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).Daaruit volgt dat in het kader van een beoordeling van dat begrip alle feitelijke en juridische gegevens betreffende de situatie van de betrokken derdelander waardoor kan worden verduidelijkt of diens persoonlijke gedragingen een dergelijke bedreiging vormen, relevant zijn.
Daaraan moet worden toegevoegd dat het strikte kader voor de aan de bevoegde nationale instanties toegekende bevoegdheid om een verzoeker op grond van artikel 8, lid 3, eerste alinea, onder e), van richtlijn 2013/33 in bewaring te stellen, mede wordt gevormd door de door het Hof in de rechtspraak gegeven uitlegging aan de begrippen „nationale veiligheid” en „openbare orde” in andere richtlijnen, welke uitlegging ook geldt voor richtlijn 2013/33.Zo heeft het Hof geoordeeld dat het begrip „openbare orde”, naast de verstoring van de maatschappelijke orde die bij elke wetsovertreding plaatsvindt, in elk geval veronderstelt dat sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.
thansniet slagen. Immers, aan het inreisverbod ligt ten grondslag dat eiser, niet zijnde een gemeenschapsonderdaan, Nederland niet onmiddellijk moet verlaten zoals bedoeld in artikel 61, 62 en 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Nu eiser geen gronden heeft aangevoerd tegen de bij het primaire besluit gegunde vertrektermijn van vier weken en (nog) niet in rechte vaststaat of verweerder al dan niet terecht vorenbedoelde verblijfsvergunning heeft ingetrokken, staat dus nog niet in rechte vast dat eiser ten tijde van het uitvaardigen van het inreisverbod toch rechtmatig verblijf in Nederland had. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de vernietiging van het bestreden besluit, voor zover daarbij de intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning is gehandhaafd, geen schorsende werking heeft.
Beslissing
uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
aan de rechtsbijstandverlener.
mr. M. den Heijer, leden , in aanwezigheid van mr. P. Bruins-Langedijk, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2018.