ECLI:NL:RBDHA:2018:4482

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 april 2018
Publicatiedatum
17 april 2018
Zaaknummer
NL18.5468
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 lid 2 Verordening EU 604/2013
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdraging aan Italië in asielprocedure Dublinverordening

Verzoekster heeft asiel aangevraagd in Nederland, maar haar aanvraag werd niet in behandeling genomen omdat Italië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk zou zijn. Verzoekster betwist de echtheid van het visum dat haar aan Italië koppelt en stelt dat zij slachtoffer is van mensenhandel, waartegen zij aangifte heeft gedaan.

De voorzieningenrechter heeft op 5 april 2018 de voorlopige voorziening toegewezen door het bestreden besluit te schorsen en te bepalen dat verzoekster niet mag worden overgedragen aan Italië totdat op het beroep is beslist. Verweerder verzette zich niet tegen deze toewijzing en zal het onderzoek van het openbaar ministerie volgen.

De voorzieningenrechter veroordeelde verweerder tevens tot betaling van de proceskosten van verzoekster. Er is afgesproken dat verzoekster haar identiteit verder zal onderbouwen en dat de rechtbank geïnformeerd wordt over vervolgingsbeslissingen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het besluit tot niet-inhandelingneming van de asielaanvraag wordt geschorst en overdracht aan Italië verboden totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.5468

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

[naam 1] , verzoekster,

alias
[naam 2],
(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. B.M. Kristel).

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder nummer NL18.5467. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2018. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk in de taal Lingala is verschenen Y. Matadi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoekster niet mag worden overgedragen aan Italië totdat is beslist op het beroep;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.002,-.

Motivering

1. Verzoekster stelt dat haar echte naam [naam 2] is. Zij is op 22 september 2017 met behulp van ene [naam 3] Nederland binnen gereisd. Hij heeft voor haar een paspoort en een visum geregeld. Verzoekster heeft op 23 september 2017 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat verzoekster door de buitenlandse vertegenwoordiging van Italië te Luanda (Angola) in het bezit is gesteld van een Schengenvisum, geldig van 29 mei tot 2 juli 2017. Dit visum is afgegeven op naam van [naam 1] . Verweerder heeft de asielaanvraag van verzoekster niet in behandeling genomen, omdat Italië op grond van artikel 12, tweede lid, van Verordening EU 604/2013 (PB 2013 L 180; hierna: de Dublinverordening) verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling daarvan. Italië heeft op 23 oktober 2017 ingestemd met het door verweerder ingediende overnameverzoek bij de Italiaanse autoriteiten (hierna: het claimakkoord).
3. Verzoekster stelt dat het visum vals is. Zij heeft documenten overgelegd om te onderbouwen dat zij [naam 2] is. Verweerder heeft deze documenten op echtheid laten onderzoeken door Bureau Documenten. In de verklaring van onderzoek van 6 maart 2018 staat dat het ‘bewijs van verlies identiteitsdocument’ zeer wel mogelijk niet echt is, en dat over de echtheid, opmaak en afgifte van de ‘verklaring van geboorte’ geen uitspraak kan worden gedaan.
4. Verzoekster stelt verder dat zij in Nederland door [naam 3] is meegenomen naar zijn huis, dat ze daar seks moest hebben met ene [naam 4] terwijl [naam 3] foto’s maakte en filmde. Ze zeiden tegen haar dat ze op die manier veel geld kon verdienen voor haar kinderen. Na afloop is ze weggestuurd omdat ze te oud was. Verzoekster heeft op 25 januari 2018 aangifte gedaan van mensenhandel. Daarbij heeft ze de naam [naam 2] opgegeven. Op 20 maart 2018 heeft ze opnieuw aangifte gedaan van mensenhandel, nu op naam van [naam 1] .
5. Verweerder heeft zich op zitting op het standpunt gesteld dat hij zich niet verzet tegen de toewijzing van het verzoek. Verweerder zal dan in afwachting van een beslissing op het beroep het verloop van het onderzoek van het openbaar ministerie naar de aangiftes van verzoekster in de gaten houden.
6. De voorzieningenrechter ziet in het voorgaande aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoekster niet mag worden overgedragen aan Italië totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
7. Ter zitting is afgesproken dat verweerder de rechtbank zal berichten wanneer het openbaar ministerie een vervolgingsbeslissing heeft genomen. Afhankelijk van de inhoud van die beslissing zal dan worden bekeken hoe het beroep moet worden voortgezet. Ook is afgesproken dat verzoekster de komende periode zal benutten om te proberen haar identiteit nader te onderbouwen.
8. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan verzoekster een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal,
mr. H.J. Schaberg J.P. Braam
voorzieningenrechter
griffier
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel