ECLI:NL:RBDHA:2018:4319
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering belastingrente bij reeds betaalde voorlopige aanslag vennootschapsbelasting
Eiseres, opgericht in december 2014, kreeg een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting opgelegd van €65.000 met een te betalen belasting van €13.000, die zij betaalde. Later werd deze voorlopige aanslag verminderd naar nihil en vervolgens werd een definitieve aanslag vastgesteld op een belastbaar bedrag van €78.452 met een te betalen belasting van €15.690. Over dit volledige bedrag werd belastingrente berekend zonder rekening te houden met de reeds betaalde €13.000.
Eiseres stelde dat de voorlopige aanslag ten onrechte was verminderd en dat de belastingrente onjuist was berekend omdat het reeds betaalde bedrag niet werd meegenomen. De rechtbank verwierp het primaire standpunt dat de vermindering onterecht was, maar gaf wel gehoor aan het subsidiaire standpunt dat de belastingrente onjuist was berekend.
De rechtbank oordeelde dat artikel 30fc, zevende lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet voorziet in situaties waarin een voorlopige aanslag wordt verminderd tot nihil en daarna een hogere definitieve aanslag wordt vastgesteld. Op basis van redelijke wetstoepassing en het doel van de belastingrenteregeling moet geen rente worden berekend over perioden waarin de Belastingdienst het geld al in bezit had. Daarom werd de belastingrente verminderd tot €207, het bedrag berekend over het verschil tussen de definitieve aanslag en de reeds betaalde voorlopige aanslag.
Verder veroordeelde de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiseres en het betaalde griffierecht. De uitspraak bevestigt dat belastingrente niet onredelijk mag worden berekend over reeds betaalde bedragen, ook als de wet niet expliciet in deze situatie voorziet.
Uitkomst: De belastingrente wordt verminderd tot €207 omdat geen rente mag worden berekend over reeds betaalde voorlopige aanslagen.