ECLI:NL:RBDHA:2018:416

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2018
Publicatiedatum
18 januari 2018
Zaaknummer
NL17.15360
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningRichtlijn 2013/32
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door verweerder niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit. Tijdens de mondelinge behandeling op 16 januari 2018 was eiser afwezig met bericht van verhindering. De rechtbank oordeelde dat Duitsland verantwoordelijk is en dat verweerder terecht de aanvraag niet in behandeling heeft genomen.

De rechtbank overwoog dat de wijze waarop Duitsland rechtsbijstand aan asielzoekers organiseert voldoet aan de Europese Procedurerichtlijn 2013/32. Eiser kon niet aannemelijk maken dat er tekortkomingen zijn in het Duitse systeem of dat hij zich niet tot de Duitse autoriteiten kan wenden. Hierdoor blijft het interstatelijk vertrouwensbeginsel tussen Nederland en Duitsland van toepassing.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd mondeling gedaan door rechter Klein Tank in aanwezigheid van griffier Nobel. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.15360
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Bondsrepubliek Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2018.
Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
Tussen partijen is niet in geschil dat Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. In geschil is alleen of verweerder op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening de asielaanvraag van eiser aan zich had moeten trekken.
De wijze waarop in Duitsland de rechtsbijstand aan asielzoekers is georganiseerd voldoet aan Richtlijn 2013/32 (de Procedurerichtlijn). Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt, ook niet met de verwijzing naar het “Memorandum für faire und sorgfältige Asylverfahren in Deutschland” van november 2016, dat er in Duitsland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij zich met klachten niet tot de Duitse autoriteiten kan wenden. Eiser heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
Het beroep is ongegrond.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.B.M. Klein Tank, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2018.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.