ECLI:NL:RBDHA:2018:2318
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende gezinsleven tussen oom en nicht
Eiser, een oom uit Kosovo, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland om gezinsleven te kunnen uitoefenen met zijn nicht, die in Nederland woont. De aanvraag werd door de staatssecretaris afgewezen omdat niet was aangetoond dat er sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en dus geen gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank overwoog dat eiser en referente nooit samen hebben gewoond en dat het contact voornamelijk telefonisch en via Skype plaatsvond, met slechts incidenteel fysiek contact tijdens vakanties. Hoewel er emotionele banden zijn, is dit niet voldoende om te spreken van een gezinsleven. De rechtbank nam het standpunt van de staatssecretaris over dat referente zelfstandig kan functioneren en dat de ondersteuning die zij zoekt ook op de huidige wijze kan plaatsvinden.
Het beroep op de hardheidsclausule en discretionaire bevoegdheid faalde eveneens. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak kan binnen vier weken worden bestreden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende gezinsleven tussen oom en nicht.