ECLI:NL:RBDHA:2018:1592
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Boete wegens niet tijdig voldoen aan inburgeringsplicht gematigd maar beroep ongegrond verklaard
Eiser kreeg een boete van €1.250,- opgelegd wegens het niet binnen de gestelde termijn behalen van het inburgeringsexamen. Na bezwaar werd de boete gematigd tot €500,- omdat eiser 300 uur aan inburgeringscursussen had gevolgd. Eiser betoogde dat de boete onterecht was omdat hij een verlenging van de inburgeringstermijn had aangevraagd en vanwege persoonlijke omstandigheden zoals de zorg voor zijn zieke moeder.
De rechtbank oordeelde dat de verlenging van de termijn niet was toegekend en dat dit besluit in rechte vaststond. De boete was daarom terecht opgelegd. De omstandigheden van eiser, waaronder de late start van het traject en de zorg voor zijn moeder, waren onvoldoende onderbouwd om verdere matiging te rechtvaardigen. De rechtbank verwierp ook het argument dat de ministeriële erkenning van problemen met de regelgeving tot het niet opleggen van een boete zou moeten leiden.
Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd. De uitspraak bevestigt dat het niet tijdig behalen van het inburgeringsexamen binnen de wettelijke termijn leidt tot een boete, ook als gedeeltelijke inspanningen zijn geleverd.
Uitkomst: Het beroep tegen de boete wegens niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht wordt ongegrond verklaard, met een gematigde boete van €500,-.