ECLI:NL:RBDHA:2018:1546
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Asielaanvraag niet-ontvankelijk wegens reeds verleende bescherming in Griekenland
Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 23 december 2017 een asielaanvraag in in Nederland. Verweerder verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a van de Vreemdelingenwet 2000, omdat uit Eurodac bleek dat eiser op 13 maart 2017 in Griekenland internationale bescherming had gekregen.
Eiser voerde aan dat hij in Griekenland geen bescherming had gevraagd en niets wist van een verblijfsvergunning aldaar. Tevens stelde hij dat de omstandigheden voor statushouders in Griekenland mensonwaardig zijn, waardoor terugkeer strijdig zou zijn met artikel 3 EVRM Pro. Verweerder stelde zich op het standpunt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat Griekenland zijn verdragsverplichtingen nakomt.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat Griekenland zijn verplichtingen niet nakomt. De omstandigheden in Griekenland zijn weliswaar moeilijk, maar niet zodanig dat sprake is van een schending van artikel 3 EVRM Pro. Eiser had geen stappen ondernomen om zijn situatie in Griekenland te verbeteren. De rechtbank volgde verweerder en verklaarde het beroep ongegrond.
De uitspraak bevestigt het belang van het interstatelijk vertrouwensbeginsel binnen de EU en de toepassing van de Kwalificatierichtlijn bij de beoordeling van asielaanvragen die reeds in een andere lidstaat zijn toegekend.
Uitkomst: De asielaanvraag van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat hij reeds internationale bescherming geniet in Griekenland.