ECLI:NL:RBDHA:2018:15323
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid prematuur beroep tegen niet tijdig beslissen verblijfsvergunning asiel
Eiser stelde de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag verblijfsvergunning asiel. De Staatssecretaris verleende later alsnog een verblijfsvergunning en kende een dwangsom toe wegens de overschrijding van de beslistermijn. Eiser stelde echter eerder al een beroep in tegen het niet tijdig beslissen, terwijl de wettelijke termijn daarvoor nog niet was verstreken.
De rechtbank oordeelde dat de brief van de Staatssecretaris waarin werd meegedeeld dat de beslistermijn was opgeschort geen besluit was en dus geen grond voor beroep vormde. Het beroep werd daarom als prematuur beschouwd en niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd het verzoek om proceskostenveroordeling afgewezen omdat het beroep ten onrechte was ingediend.
De uitspraak bevestigt dat bij niet tijdig beslissen het beroep pas kan worden ingesteld nadat twee weken zijn verstreken na ingebrekestelling. De brief van opschorting van de beslistermijn wijzigt de rechtspositie van eiser niet en kan niet worden aangemerkt als een weigering om te beslissen.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuriteit.