ECLI:NL:RBDHA:2018:14862
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarde woning na bezwaar tegen te hoge waardering nieuwbouwwoning
Eiser betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn nieuwbouwwoning, die was vastgesteld op €495.000 met waardepeildatum 1 januari 2017. Eiser stelt dat de waarde niet hoger is dan €346.000, gebaseerd op een taxatierapport van een nagenoeg identiek object. Verweerder stelt een waarde van €407.000 voor, gebaseerd op een analyse van vergelijkingsobjecten en een matrix die rekening houdt met woninginhoud en voorzieningen.
De kern van het geschil is of de VON-prijs (vrij op naam) als uitgangspunt voor de WOZ-waarde kan worden genomen. De rechtbank oordeelt dat de VON-prijs niet per definitie gelijk is aan de WOZ-waarde, omdat deze laatste de waarde in het economische verkeer (WEV) betreft. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat de VON-prijs van de woning niet de WEV weerspiegelt, mede door de bouw via een Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) waardoor kostenbesparingen zijn gerealiseerd.
De rechtbank vindt de analyse van verweerder, waarbij de VON-prijzen van vergelijkbare woningen zijn herleid naar prijs per kubieke meter woninginhoud, overtuigend. Het verschil tussen de VON-prijs van €360.000 en de marktwaarde van circa €407.000 is verklaarbaar door de CPO-constructie en het tijdstip van vaststelling van de VON-prijs. Het door eiser overgelegde taxatierapport overtuigt de rechtbank onvoldoende.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vermindert de WOZ-waarde tot €407.000 en vermindert de aanslag onroerende-zaakbelastingen dienovereenkomstig. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter T.A. de Hek op 4 december 2018.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt vastgesteld op €407.000 en de aanslag onroerende-zaakbelasting dienovereenkomstig verminderd.