De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen verdachte die ervan werd beschuldigd vijf hennepplanten te hebben geteeld in de periode van maart tot juni 2017 in Naaldwijk. De verdachte bekende het feit en stelde dat hij de cannabis voor eigen medicinaal gebruik teelde vanwege zenuwpijn die niet voldoende werd bestreden door reguliere medicatie of apotheekcannabis. De officier van justitie eiste bewezenverklaring maar geen strafoplegging.
De verdediging voerde noodtoestand aan als rechtvaardigingsgrond, stellende dat het kweken noodzakelijk was voor pijnbestrijding en dat betaalbare alternatieven ontbraken. De rechtbank erkende de medische noodzaak, maar vond onvoldoende bewijs dat de legaal verkrijgbare medicinale cannabis of coffeeshopcannabis niet effectief waren. Ook werd de financiële noodzaak niet als rechtvaardiging geaccepteerd.
De rechtbank verklaarde het feit bewezen en strafbaar, maar besloot conform artikel 9a Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel op te leggen vanwege de geringe ernst van het feit, het ontbreken van eerdere justitiële contacten en het principiële karakter van de zaak waarin de verdachte zelf strafvervolging had gevraagd voor duidelijkheid.