ECLI:NL:RBDHA:2018:14392
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Duitsland
Eiser heeft op 11 juni 2018 een asielaanvraag ingediend die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling is genomen omdat Duitsland als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen op grond van de Dublinverordening. Eiser betoogt dat terugkeer naar Duitsland onmenselijke of vernederende behandeling oplevert, in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en dat de Nederlandse overheid onterecht vertrouwt op het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen of dat overdracht aan Duitsland strijdig is met het Handvest. De Staatssecretaris heeft terecht gewezen op het claimakkoord tussen Nederland en Duitsland en eerdere jurisprudentie die bevestigt dat overdracht niet onrechtmatig is.
Het beroep wordt ongegrond verklaard. De rechtbank acht het niet redelijk dat de Staatssecretaris het verzoek van eiser zelf behandelt, omdat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die een uitzondering rechtvaardigen. De asielgerelateerde bezwaren van eiser vallen buiten het toetsingskader van de Dublinprocedure.
Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Kleijn en griffier A.E. Maas op 5 december 2018. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.