De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de man en vrouw, als wettelijk vertegenwoordigers van hun minderjarige dochter, tot vaststelling dat de minderjarige de Nederlandse nationaliteit bezit. De man was in 2010 genaturaliseerd tot Nederlander, maar de minderjarige was niet meegenaturaliseerd. De verzoekers stelden dat door een Senegalese rechterlijke verklaring de spelfout in de huwelijksakte was hersteld, waardoor de minderjarige achteraf het Nederlanderschap zou hebben verkregen op grond van wettiging.
De rechtbank oordeelde dat de familierechtelijke betrekking tussen de man en de minderjarige volgens Senegalese wetgeving is ontstaan ten tijde van de geboorte, aangezien de minderjarige ruim een jaar na het huwelijk is geboren. Hierdoor gold de man reeds als juridische vader bij geboorte, en verkreeg de minderjarige toen de Senegalese nationaliteit. Er was geen sprake van erkenning of wettiging in Nederland die het Nederlanderschap zou doen ontstaan.
De rechtbank verwierp ook het beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat de verkrijging van het Nederlanderschap strikt is geregeld in de Rijkswet op het Nederlanderschap en niet kan worden afgeleid uit algemene bestuursrechtelijke beginselen. Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap werd daarom afgewezen.