ECLI:NL:RBDHA:2018:13725
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen rechtmatig verblijf vastgesteld voor Poolse gemeenschapsonderdaan zonder werk of middelen
Eiser, een Poolse gemeenschapsonderdaan, werd door verweerder vastgesteld dat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad omdat hij niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit. Hij had geen werk, was niet werkzoekend, beschikte niet over voldoende middelen van bestaan en was niet ingeschreven voor een opleiding.
Eiser voerde aan dat het verblijfsrecht van EU-burgers niet van rechtswege eindigt en dat verweerder rekening moest houden met zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder het niet doen van een beroep op publieke middelen. Ook stelde hij dat uit de Verblijfsrichtlijn niet volgt dat overtredingen en overlast een verwijderingsmaatregel rechtvaardigen.
De rechtbank oordeelde dat het besluit van verweerder een vaststelling betrof dat eiser nimmer rechtmatig verblijf had gehad en geen actieve beëindiging van verblijfsrecht. Er was geen plaats voor belangenafweging. De rechtbank verwierp het beroep en bevestigde dat eiser geen rechtmatig verblijf had op grond van het Unierecht.
De rechtbank wees tevens op eerdere jurisprudentie waarin werd bevestigd dat het niet doen van een beroep op bijstand niet verhindert dat het verblijfsrecht kan worden vastgesteld als niet bestaand. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en vastgesteld dat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad.