ECLI:NL:RBDHA:2018:13371
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU voor meerderjarige zoon van EU-burger
Eiser, een meerderjarige zoon van een EU-burger, verzocht om bevestiging van zijn rechtmatig verblijf op grond van artikel 20 van Pro het VWEU. De staatssecretaris wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelde dat hoewel er sprake is van een familierechtelijke relatie, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in uitzonderlijke omstandigheden verkeert die een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro rechtvaardigen.
De rechtbank stelde vast dat het arrest K.A. van het HvJEU bepaalt dat een dergelijk verblijfsrecht slechts in uitzonderlijke gevallen kan bestaan, namelijk wanneer de betrokkene niet gescheiden kan worden van het familielid van wie hij afhankelijk is. Het feit dat eiser bij zijn moeder woont en voor haar zorgt, is onvoldoende, zeker omdat andere kinderen in Nederland verblijven die zorg kunnen bieden.
De rechtbank constateerde een motiveringsgebrek in het bestreden besluit maar passeerde dit gebrek omdat de aanvullende motivering deugdelijk was en eiser niet benadeeld werd. Ook werd geoordeeld dat de hoorplicht niet correct was nageleefd, maar dat dit geen nadeel voor eiser opleverde. Verder faalden de beroepen op het Handvest en artikel 8 EVRM Pro. Het beroep werd ongegrond verklaard en verweerder werd veroordeeld tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.