Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
afgegeven bevel tot bewaring, zodat aan de last geen waarde kan worden toegekend. Bij gebreke van een geldige last kan geen sprake zijn van een rechtmatige vrijheidsbeneming.
Rechtbank Den Haag
Eiser is sinds juni 2016 gesignaleerd ter uitlevering aan de Verenigde Staten wegens witwassen, fraude en het helpen van illegale vreemdelingen. Op 19 oktober 2018 werd hij op Schiphol aangehouden en in verzekering gesteld op grond van de Uitleveringswet. De officier van justitie vorderde bewaring en de rechter-commissaris bepaalde op 22 oktober 2018 een bewaringstermijn van 60 dagen.
Eiser vorderde in kort geding onmiddellijke invrijheidstelling omdat hij meent dat zijn bewaring onrechtmatig is, omdat de last tot tenuitvoerlegging was opgemaakt voordat de bewaring was bevolen. De Staat voerde verweer dat eiser niet-ontvankelijk is omdat hij een andere rechtsgang kan volgen, namelijk de procedure bij de rechter-commissaris zoals bepaald in artikel 16 lid 1 Uitleveringswet Pro.
De rechtbank oordeelt dat eiser inderdaad het beoogde doel kan bereiken via de speciaal daarvoor beschreven procedure bij de rechter-commissaris. Daarom is er geen plaats voor ingrijpen door de civiele rechter in kort geding. De vordering wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot onmiddellijke invrijheidstelling wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid omdat een andere procedure openstaat.