ECLI:NL:RBDHA:2018:13140
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek pleidooi en comparitie na niet tijdig voor antwoord concluderen
In deze civiele bodemzaak bij de Rechtbank Den Haag heeft gedaagde verzocht om alsnog pleidooi te mogen voeren, nadat hij niet tijdig voor antwoord had geconcludeerd. Dit verzoek werd gemotiveerd door een misverstand over de mogelijkheid tot uitstel onder het Landelijk Procesreglement.
De rechtbank overwoog dat het recht om voor antwoord te concluderen ingevolge artikel 133 lid 4 Rv Pro vervalt indien niet tijdig wordt geconcludeerd, en dat op grond van artikel 128 lid 3 Rv Pro het recht om verweer te voeren eveneens vervalt indien niet ten principale is geantwoord. Het verzoek van gedaagde om dit te ‘repareren’ door alsnog pleidooi toe te staan, zou de wettelijke regeling van verval van recht terzijde stellen en is daarmee in strijd met een goede procesorde.
Ook het subsidiaire verzoek om een comparitie van partijen te gelasten werd afgewezen, omdat dit eveneens tot doel had het vervallen recht te herstellen. De rechtbank wees beide verzoeken af en bepaalde het vonnis op 21 november 2018. Het vonnis werd gewezen door rechter L. Alwin en op 10 oktober 2018 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Verzoek om pleidooi en comparitie afgewezen wegens verval van recht door niet tijdig voor antwoord te concluderen.