ECLI:NL:RBDHA:2018:13009
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis pleegkind Eritrea
Eiser, een Eritrese minderjarige, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis als pleegkind van referente, die de zorg voor hem zou hebben overgenomen. De aanvraag werd door de staatssecretaris afgewezen vanwege tegenstrijdige verklaringen over het moment waarop eiser deel uitmaakte van het pleeggezin en het ontbreken van bewijsstukken zoals overlijdensaktes van biologische ouders.
Eiser stelde dat hij en referente met hun families naar Soedan waren gevlucht, waar hij feitelijk deel uitmaakte van het pleeggezin, en dat hij financieel afhankelijk was van referente. Tijdens de zitting bevestigde een informante, de pleegzus, deze situatie. De rechtbank oordeelde echter dat de tegenstrijdigheden in verklaringen en het ontbreken van objectief bewijs, zoals een toestemmingsverklaring van de biologische moeder, de feitelijke pleeggezinsband onvoldoende aannemelijk maakten.
De rechtbank concludeerde dat de staatssecretaris de aanvraag terecht had afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.