ECLI:NL:RBDHA:2018:11048
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen faillissementsverklaring ongegrond verklaard wegens opeisbare vorderingen en schuldenlast
Op 21 augustus 2018 werd opposante failliet verklaard op verzoek van verzoekster, die een vordering had wegens niet-betaald salaris en vakantiebijslag. Opposante diende verzet in tegen deze faillissementsverklaring, stellende dat zij haar betalingsverplichtingen had nagekomen en dat de vakantiebijslag nog niet opeisbaar was.
Tijdens de zitting op 11 september 2018 werden de standpunten van partijen besproken en ontving de rechtbank adviezen en stukken van de curator en advocaten. Opposante voerde aan dat verzoekster geen redelijk belang had bij het faillissementsverzoek en dat betaling via het UWV had moeten plaatsvinden.
De rechtbank oordeelde dat het verzet tijdig was ingesteld, maar dat opposante zich in de toestand van betalingsonmacht bevond, met meerdere schuldeisers en een aanzienlijke schuldenlast. De vorderingsrechten van verzoekster waren vast komen te staan, inclusief achterstallig salaris over juni, juli en augustus 2018. Het verweer dat betaling via het UWV had moeten verlopen, faalde wegens gebrek aan bewijs van overname door het UWV.
De rechtbank verklaarde het verzet ongegrond en wees het verzoek tot kostenveroordeling af. De faillissementsverklaring blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het verzet tegen de faillissementsverklaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot kostenveroordeling afgewezen.