ECLI:NL:RBDHA:2018:10863
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis Eritrese gezinsleden wegens onvoldoende identiteit en bewijsnood
Eiseres 1 en eiseres 2, beiden van Eritrese nationaliteit, hebben een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis asiel, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. De afwijzing berustte op het ontbreken van officiële documenten die hun identiteit en familieband met de referent bevestigen, en het ontbreken van bewijsnood.
Eiseressen stelden dat zij bewijsnood hadden omdat zij zich niet tot de Eritrese autoriteiten konden wenden en overlegden diverse onofficiële documenten zoals een kerkelijke huwelijksakte, bewonerspas, doopakte en inentingskaart. De rechtbank oordeelde dat deze documenten niet substantieel bewijs vormden vanwege tegenstrijdigheden en het ontbreken van echtheidsonderzoek.
De rechtbank verwierp het beroep op bewijsnood omdat eiseres 1 niet aannemelijk had gemaakt dat het voor haar onmogelijk was een identiteitsdocument te verkrijgen, mede gelet op het feit dat het bezit van een identiteitskaart in Eritrea verplicht is vanaf 18 jaar. Ook werd geoordeeld dat verweerder terecht geen aanvullend onderzoek hoefde te verrichten.
De rechtbank stelde vast dat de identiteit onvoldoende aannemelijk was gemaakt en dat het bezwaar tegen de afwijzing kennelijk ongegrond was, zodat de hoorplicht niet was geschonden. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van de Eritrese gezinsleden tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van identiteit en geen bewijsnood.