ECLI:NL:RBDHA:2017:976
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing opvolgende asielaanvraag Iraakse soenniet wegens ontbreken individueel risico
Eiser, een Iraakse soenniet zonder netwerk, diende op 2 oktober 2014 een vierde opvolgende asielaanvraag in met als grond dat de veiligheidssituatie in Bagdad was verslechterd. Verweerder wees de aanvraag af op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en liet de vertrekplicht herleven.
Eiser stelde dat het besluitmoratorium misbruikt was en dat zijn individuele situatie onvoldoende was meegewogen, met name zijn risico op willekeurige arrestatie als soenniet zonder netwerk. De rechtbank oordeelde dat het besluitmoratorium niet ter toetsing stond en dat eiser geen verblijfsvergunning had gekregen, waardoor dit verweer faalde.
De rechtbank bevestigde dat de beoordeling terecht was beperkt tot artikel 15c van de Definitierichtlijn, omdat eiser alleen de algemene veiligheidssituatie aanvoerde. De recente informatie over geweld in Bagdad bood geen aanleiding tot een ander oordeel dan eerdere jurisprudentie. Het individuele risico van eiser werd niet aannemelijk gemaakt, mede gezien de verklaring dat zijn vrouw vanwege haar sjiitische etniciteit was vermoord.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet voldeed aan de criteria voor vluchtelingenstatus of bescherming tegen ernstige schade en wees het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een individueel risico op ernstige schade.