ECLI:NL:RBDHA:2017:818
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing paspoortaanvraag minderjarig kind wegens niet vaststaand juridisch vaderschap
Eiser, een Nederlander woonachtig in het Verenigd Koninkrijk, vroeg voor zijn minderjarige zoon een Nederlands paspoort aan. De aanvraag werd niet in behandeling genomen omdat niet kon worden vastgesteld dat de zoon de Nederlandse nationaliteit bezit. Verweerder baseerde dit op het ontbreken van bewijs van juridisch vaderschap, aangezien de Somalische geboorte- en huwelijksakten vals werden bevonden door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
Eiser stelde dat de documenten de enige beschikbare bewijsstukken zijn en dat DNA-onderzoek het biologische vaderschap bevestigt. Hij voerde tevens aan dat de weigering inbreuk maakt op artikel 8 EVRM Pro, omdat het kind daardoor niet bij zijn vader kan verblijven. De rechtbank oordeelde dat het juridisch vaderschap bepalend is voor het Nederlanderschap en dat het biologische vaderschap onvoldoende is volgens de wet.
De rechtbank bevestigde dat de bewijslast bij eiser ligt en dat verweerder terecht van het IND-rapport is uitgegaan dat de documenten vals zijn. Het ontbreken van juridisch vaderschap leidt tot het niet kunnen vaststellen van het Nederlanderschap. De aanvraag werd daarom terecht niet in behandeling genomen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de paspoortaanvraag is ongegrond verklaard omdat het juridisch vaderschap niet kon worden vastgesteld.