ECLI:NL:RBDHA:2017:8094
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen terugkeerbesluit op grond van illegaal verblijf
Eiser, een Egyptische nationaliteit dragende vreemdeling, kreeg op 8 november 2016 een terugkeerbesluit opgelegd op grond van artikel 62 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Dit besluit verplichtte hem binnen 28 dagen Nederland te verlaten omdat hij illegaal verbleef. Eiser voerde aan dat hij als partner van een EU-onderdaan rechtmatig verblijf had en dat verweerder het gezinsleven op grond van artikel 8 EVRM Pro had moeten meewegen.
De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd van rechtmatig verblijf en dat hij ten tijde van het terugkeerbesluit geen verblijfsvergunning of artikel 9-document had. De aanvraag voor een dergelijk document dateerde van na het terugkeerbesluit en kon daarom niet meewegen. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het terugkeerbesluit had opgelegd.
Verder overwoog de rechtbank dat het terugkeerbesluit alleen het illegaal verblijf vaststelt en de terugkeerverplichting oplegt, en dat toetsing aan artikel 8 EVRM Pro niet vereist is bij het uitvaardigen van een dergelijk besluit. Eiser kan wel een afzonderlijke aanvraag indienen op grond van artikel 8 EVRM Pro.
Op grond van deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek tot proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het besluit gehandhaafd.