ECLI:NL:RBDHA:2017:7852
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid bekering en onvoldoende risico op schending artikel 3 EVRM
Eiser, een Iraanse nationaliteit bezittende man, diende op 16 oktober 2015 een asielaanvraag in. Hij baseerde zijn verzoek onder meer op de dood van zijn broer tijdens onlusten in 2009, zijn eigen detentie en de detentie en ter dood veroordeling van een andere broer vanwege geloofsovertuiging. Eiser stelde dat hij zich bekeerd had tot het christendom, mede geïnspireerd door zijn broer die huiskerkdiensten verzorgde.
Verweerder wees de asielaanvraag af op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege ongeloofwaardigheid van de bekering en onvoldoende aannemelijkheid van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Iran. De rechtbank overwoog dat eiser tegenstrijdige verklaringen gaf over belangrijke feiten, zoals het tijdstip van ontwaken in het mortuarium en het verloop van de steek- en schietincidenten. Ook was de bekering niet aannemelijk gemaakt, ondanks overgelegde doopcertificaten en Facebookpagina.
De rechtbank achtte de geloofwaardige delen van het relaas, zoals de detentie en veroordeling van broers en het plaatsen van kritische berichten op Facebook, onvoldoende om een reëel risico op vervolging of ernstige schade aan te nemen. De stelling dat eiser een dossier bij de veiligheidsdienst heeft, werd als een onbewezen aanname beoordeeld. De rechtbank volgde verweerder in zijn oordeel dat eiser geen reëel en voorzienbaar risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag gehandhaafd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.