ECLI:NL:RBDHA:2017:6690
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift gegrond verklaard tegen DNA-onderzoek minderjarige bedreiger vanwege bijzondere persoonlijke omstandigheden
De rechtbank Den Haag behandelde het bezwaar van een minderjarige veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. De veroordeelde was bij uitspraak van 28 juli 2016 veroordeeld voor bedreiging van twee officieren van justitie en kreeg een taakstraf opgelegd.
Hoewel DNA-onderzoek bij bedreiging normaal gesproken relevant kan zijn, oordeelde de rechtbank dat in dit specifieke geval sprake was van bijzondere persoonlijke omstandigheden. De bedreiging vond plaats toen de stiefvader van de veroordeelde, die als vaderfiguur fungeerde, in voorlopige hechtenis zat. Dit had een grote emotionele impact op de toen 17-jarige veroordeelde, die sindsdien niet meer met justitie in aanraking was gekomen.
De rechtbank concludeerde dat het delict een eenmalig incident betrof, gepleegd onder uitzonderlijke omstandigheden, en dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel niet van betekenis zou zijn voor de opsporing of vervolging van strafbare feiten van de veroordeelde. Daarom werd het bezwaar gegrond verklaard en werd vernietiging van het celmateriaal bevolen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel is gegrond verklaard en het celmateriaal wordt vernietigd.