ECLI:NL:RBDHA:2017:4974
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens verkrachting en toepassing artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Eiser, een Afghaanse man geboren in 1997, vroeg asiel aan in Nederland uit vrees voor eerwraak van zijn familie nadat hij zijn nichtje zwanger had gemaakt. Verweerder wees de aanvraag af op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, omdat eiser zich schuldig zou hebben gemaakt aan verkrachting, een ernstig niet-politiek misdrijf.
De rechtbank oordeelde dat eiser tegen de wil van zijn nichtje, met gebruik van fysieke dwang, seksuele gemeenschap met haar heeft gehad, wat neerkomt op verkrachting. Dit werd onderbouwd met eigen verklaringen van eiser en bevestiging dat het nichtje zwanger raakte. Bovendien was eiser op de hoogte of had hij moeten weten dat verkrachting een ernstig misdrijf is in Afghanistan.
Eiser voerde aan dat verkrachting niet strafbaar zou zijn in Afghanistan en dat hij niet wist dat hij een misdrijf beging. Ook stelde hij dat Kabul geen veilig vestigingsalternatief is vanwege zijn etnische en religieuze achtergrond. De rechtbank verwierp deze bezwaren, stelde dat verkrachting wel degelijk strafbaar is en dat de sjiitische Hazara in Kabul geen kwetsbare minderheid vormen. Tevens was er geen aannemelijk bewijs voor een reële vervolgingsvrees bij terugkeer.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk en het beroep tegen het inreisverbod ongegrond. Het inreisverbod werd opgelegd voor tien jaar wegens de ernst van het misdrijf. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk en het beroep tegen het inreisverbod ongegrond.