Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling van het geschil
5.De beslissing
24 april 2017.
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag behandelde een kort geding waarin eiser verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van zijn drie maanden gevangenisstraf vanwege een ingediend gratieverzoek. Eiser was door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld en de Hoge Raad had zijn cassatieberoep niet ontvankelijk verklaard. De strafuitvoering was reeds aangevangen met een oproepbrief van 5 januari 2017.
Eiser stelde dat hij de uitspraak van de Hoge Raad niet had ontvangen en dat hij vanwege zijn eenmanszaak en gezondheid opschorting nodig had om zich voor te bereiden. De Staat had echter een eenmalig uitstel verleend tot 1 mei 2017 en wees het verzoek om opschorting af, omdat het gratieverzoek geen opschortende werking heeft indien de strafuitvoering al is begonnen.
De rechtbank oordeelde dat het wettelijke systeem voorschrijft dat een opgelegde straf uitgevoerd moet worden zodra geen rechtsmiddelen meer openstaan, tenzij uitzonderlijke omstandigheden aannemelijk zijn gemaakt. Eiser had onvoldoende feiten aangevoerd om de redelijkheid van de afwijzing te betwisten. Het risico dat het gratieverzoek illusoir wordt door strafuitvoering is voor rekening van eiser. De vordering tot opschorting werd daarom afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Verzoek tot opschorting tenuitvoerlegging gevangenisstraf in afwachting van gratieverzoek wordt afgewezen.