ECLI:NL:RBDHA:2017:4270
Rechtbank Den Haag
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Iraakse wegens vestigingsalternatief in Bagdad
Eiser, een Iraakse soenniet afkomstig uit Mosul, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege vrees voor terreurgroep IS en het Iraakse leger. Hij stelde dat zijn etniciteit en Syrisch accent hem extra risico's opleverden. Verweerder wees de aanvraag af op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waarbij de geloofwaardigheid van de identiteit en vlucht uit Mosul werd erkend, maar de vrees voor IS en het leger werd verworpen als onvoldoende aannemelijk.
De rechtbank oordeelde dat de aangevoerde landeninformatie onvoldoende concrete aanwijzingen gaf dat eiser persoonlijk risico liep bij terugkeer. Daarnaast werd een vestigingsalternatief in Bagdad aan eiser tegengeworpen. Hoewel eiser stelde dat hij daar geen netwerk of sponsor heeft en vreest voor discriminatie, oordeelde de rechtbank dat deze omstandigheden onvoldoende zijn om het vestigingsalternatief te weerleggen.
De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak waarin werd bevestigd dat soennitische afkomst en het ontbreken van een sponsor geen doorslaggevende belemmeringen zijn voor vestiging in Bagdad. Ook recente informatie toonde geen verslechtering van de situatie voor soennieten in Bagdad. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende aannemelijkheid van persoonlijke vrees en het bestaan van een vestigingsalternatief in Bagdad.