ECLI:NL:RBDHA:2017:3803
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot opheffing tenuitvoerlegging gevangenisstraf wegens intrekking strafonderbreking
De zaak betreft een kort geding van een gedetineerde die vordert dat de Staat de tenuitvoerlegging van zijn gevangenisstraf staakt, omdat de strafonderbreking ten onrechte is ingetrokken. De eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar en bevindt zich momenteel in detentie.
De strafonderbreking was verleend onder de voorwaarde dat de eiser Nederland definitief verlaat en niet terugkeert. De intrekking van deze strafonderbreking door de Staatssecretaris is gebaseerd op het feit dat de Marokkaanse autoriteiten het vereiste reisdocument (laisser passer) niet verstrekken, ondanks herhaalde verzoeken.
De rechtbank oordeelt dat de intrekking van de strafonderbreking niet in deze procedure kan worden aangevochten, omdat daarvoor een speciale procedure bij de Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) bestaat, welke door eiser ook wordt gevolgd. Daarnaast is de vordering inhoudelijk ongegrond omdat de voorwaarde van definitief vertrek uit Nederland, inclusief de Europese Unie, niet wordt vervuld via de voorgestelde Roosendaalroute.
Ook het argument dat de voortzetting van de detentie neerkomt op verkapte vreemdelingenbewaring wordt verworpen, aangezien de detentie plaatsvindt ter uitvoering van de opgelegde straf. De vordering wordt daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van de gevangenisstraf wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.