ECLI:NL:RBDHA:2017:2340
Rechtbank Den Haag
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op afgeleid verblijfsrecht na onvoldoende bewijs feitelijk verblijf in België
Eiseressen, moeder en dochter met de Georgische nationaliteit, vroegen om afgifte van een verblijfsdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, gebaseerd op een afgeleid verblijfsrecht volgens artikel 21 VWEU Pro. Verweerder wees de aanvragen af omdat niet aannemelijk was dat zij samen met referent, een Nederlandse burger, daadwerkelijk en gedurende ten minste zes maanden in België verbleven en een gezinsleven opbouwden.
De rechtbank onderzocht de feiten en stelde vast dat hoewel referent in België geregistreerd stond en een woning huurde, hij zijn hoofdverblijf in Nederland had, waar hij werkte, belasting betaalde en waar het gezin ook regelmatig verbleef. Er was onvoldoende bewijs van gezamenlijk verblijf en gezinsleven in België. Eiseres 1 was bovendien een periode gedetineerd in België en het verblijf van de dochter was ook niet duidelijk in België.
De rechtbank overwoog dat het overleggen van administratieve documenten onvoldoende was zonder feitelijke bewijsstukken die het gezamenlijke verblijf aantonen. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro werd verworpen omdat dit geen recht geeft op het gevraagde verblijfsdocument. De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard omdat niet is aangetoond dat eiseressen feitelijk samen met referent in België verbleven en een gezinsleven hebben opgebouwd.