ECLI:NL:RBDHA:2017:1776
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid schriftelijk wrakingsverzoek wegens termijnoverschrijding in huurtoeslagzaak
In een procedure over een bezwaar tegen een beslissing van de Belastingdienst waarbij een huurtoeslagvoorschot met terugwerkende kracht op nihil werd gesteld, diende verzoekster een schriftelijk wrakingsverzoek in tegen de rechter die de zaak behandelde. Het verzoek betrof een vraag van de rechter over mogelijke fraude met het opgegeven woonadres, die verzoekster en haar gemachtigde als tendentieus en intimiderend ervaarden.
De wrakingskamer nam kennis van het wrakingsverzoek, de reactie van de rechter en het proces-verbaal van de zitting. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek vond plaats op 9 januari 2017, waarbij verzoekster werd vertegenwoordigd door haar gemachtigde. De rechter en belanghebbende verschenen niet.
Verzoekster stelde dat de rechter bevooroordeeld was en zijn onpartijdigheid in twijfel kon worden getrokken, mede omdat bepaalde procesrechtelijke punten niet aan de orde waren gesteld. De rechter gaf aan dat zijn vraag over fraude retorisch was en niet beslissend voor de hoofdzaak, en dat het niet bespreken van alle punten niet wijst op partijdigheid.
De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek niet tijdig was ingediend, aangezien het zeven dagen na de zitting werd ingediend terwijl het verzoek volgens artikel 8:16 Awb Pro direct na bekendwording van de feiten moet worden gedaan. De verklaring van verzoekster en haar gemachtigde dat zij pas in het weekend na de zitting besloten tot wraking, bood onvoldoende rechtvaardiging.
Daarom werd het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard en werd het proces in de hoofdzaak voortgezet zoals het was ten tijde van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn van zeven dagen na de zitting.