ECLI:NL:RBDHA:2017:16292

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 november 2017
Publicatiedatum
9 februari 2018
Zaaknummer
C/09/541596 / FT RK 17/1854
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 Fw
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw bij belastingdienstschulden

Verzoekster diende een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank beoordeelde of zij te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Uit stukken en ter zitting bleek dat verzoekster kinderopvangtoeslag had ontvangen terwijl zij wist dat zij hier geen recht meer op had, en deze toeslag voor andere uitgaven had gebruikt.

De rechtbank oordeelde dat hierdoor onvoldoende aannemelijk was dat verzoekster te goeder trouw was geweest bij het ontstaan van haar belastingdienstschulden. Verzoekster deed een beroep op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro, stellende dat zij sinds 2016 geen nieuwe schulden meer had gemaakt, een stabiele woonsituatie had en een opleiding had afgerond.

De rechtbank erkende de inspanningen van verzoekster sinds 2015, maar vond dat dit niet automatisch betekende dat zij de omstandigheden die tot de schulden hadden geleid onder controle had gekregen. De schuld aan de belastingdienst betrof een aanzienlijk deel van haar totale schuldenlast en was het gevolg van verwijtbaar handelen.

Daarom werd het beroep op de hardheidsclausule verworpen en het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw bij het ontstaan van de belastingdienstschulden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team insolventies – enkelvoudige kamer
rekestnummer: C/09/541596 / FT RK 17/1854
uitspraakdatum: 29 november 2017
[verzoekster],
wonende te [adres],
[postcode en woonplaats],
verzoekster,
heeft op 20 oktober 2017 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is op 15 november 2017 behandeld. Verzoekster is gehoord. Mede verscheen schuldhulpverlener [A] van PLANgroep.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 288 lid 1 sub b van Pro de Faillissementswet wordt het verzoek slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Deze goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan verzoekster dient te voldoen.
Bij de beoordeling daarvan kan de rechtbank rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin verzoekster een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoekster wat betreft haar inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers te frustreren en dergelijke.
Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting verklaard, is het volgende gebleken.
Uit stukken die ter terechtzitting zijn overgelegd blijkt de schuld van verzoekster aan de belastingdienst onder meer te bestaan uit terug te betalen kinderopvangtoeslag voor de jaren 2011 (€ 1.070,-), 2012 (€ 8.476,-) en 2013 (€ 6.198,-). Op grond hetgeen verzoekster ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank er van uit dat zij er mee bekend was dat er geen recht (meer) bestond op kinderopvangtoeslag, maar dat zij de door haar toeslagen heeft aangewend voor andere uitgaven dan kinderopvangkosten. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat onvoldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan van deze belasting schulden te goeder trouw is geweest.
Namens verzoekster is ter terechtzitting een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 van Pro de Faillissementswet. Daartoe is aangevoerd dat verzoekster sinds 2016 geen nieuwe schulden meer heeft gemaakt, dat inmiddels sprake is van een stabiele woonsituatie, dat zij een opleiding tot kapper heeft afgerond en dat zij sinds 2015/2016 solliciteert. Naar het oordeel van de rechtbank kan aan de hand hiervan worden aangenomen dat verzoekster zich sinds 2015 inspant om haar leefsituatie op orde te krijgen. Echter, (nog) niet kan worden geconcludeerd dat verzoekster daar structureel in is geslaagd. Bovendien maakt dit niet automatisch dat voldoende aannemelijk is dat verzoekster de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden onder controle heeft gekregen. Immers, de schuldenlast van verzoekster bestaat voor een belangrijk deel (bijna 28%) uit hoge schulden waarvan de oorzaak is terug te voeren tot verwijtbaar handelen van verzoekster. Dit laat zich niet zomaar ‘wegstrepen’ tegen een (verbeterde) leefwijze die strikt genomen kan worden gevergd van een ieder die in een problematische schuldensituatie verkeert. Dit alles maakt dat de rechtbank voorbij gaat aan het beroep op de hardheidsclausule.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient derhalve te worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling van:
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum] 1986 [geboorteplaats],
wonende te [adres],
[postcode en woonplaats].
Gewezen door mr. R. Cats, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 november 2017 in tegenwoordigheid van A.S. Snel, griffier.