ECLI:NL:RBDHA:2017:16131
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met Egypte
Eiseres heeft een visum kort verblijf aangevraagd om familie in Nederland te bezoeken, samen met haar twee kinderen die de Nederlandse nationaliteit bezitten. De minister van Buitenlandse Zaken heeft de aanvraag geweigerd omdat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat eiseres een sociale en economische binding met Egypte heeft, waardoor de terugkeer naar Egypte niet gewaarborgd is.
De rechtbank overweegt dat de sociale en economische bindingen die eiseres aanvoert, zoals het bezit van een huis en uitkeringen uit een erfenis, niet zijn onderbouwd met objectieve en verifieerbare stukken. Ook is niet gebleken van familieleden in Egypte die afhankelijk zijn van eiseres. De kinderen van eiseres volgen een internationale opleiding en hebben de Nederlandse nationaliteit, waardoor zij hun opleiding in Nederland kunnen voortzetten.
Verder oordeelt de rechtbank dat het reisdoel onvoldoende duidelijk is geworden omdat de terugkeer niet gewaarborgd is. De eerdere afgewezen machtiging voorlopig verblijf uit 2004 is niet relevant voor de beoordeling. Tot slot stelt de rechtbank dat verweerder niet verplicht was eiseres te horen in bezwaar, omdat op grond van de stukken geen twijfel bestond dat het besluit zou worden gewijzigd.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de visumaanvraag af. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de weigering van het visum wegens onvoldoende sociale en economische binding met Egypte.