ECLI:NL:RBDHA:2017:16015
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning en oplegging inreisverbod wegens ernstige bedreiging openbare orde
Eiser verblijft sinds 2007 in Nederland en kreeg in 2008 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze vergunning is met terugwerkende kracht ingetrokken vanwege meerdere geweldsdelicten waarvoor eiser is veroordeeld, waaronder een recente veroordeling tot 30 maanden gevangenisstraf. Daarnaast is een inreisverbod van tien jaar opgelegd omdat eiser wordt gezien als een werkelijke, actuele en ernstige bedreiging voor de samenleving.
Eiser voerde aan dat de intrekking in strijd is met het Unierecht en dat zijn persoonlijke gedragsverbetering onvoldoende is meegewogen. Ook stelde hij dat terugkeer naar Somalië een schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert vanwege zijn verwestering en risico op verblijf in ontheemdenkampen. Verder stelde hij dat artikel 8 EVRM Pro (familie- en privéleven) geschonden zou zijn.
De rechtbank oordeelt dat het communautair openbare ordebegrip juist is toegepast en dat de niet-onherroepelijke veroordeling mag worden meegewogen. De persoonlijke gedragsverbetering is onvoldoende om het inreisverbod te weerleggen. Er is geen schending van artikel 3 EVRM Pro omdat het risico op ernstige schade niet aannemelijk is. Ook is geen sprake van gezins- of familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro, en de inmenging in het privéleven is gerechtvaardigd vanwege de ernst van de misdrijven en de bedreiging voor de openbare orde.
Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die een korter inreisverbod rechtvaardigen.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk.