ECLI:NL:RBDHA:2017:15304
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning asiel wegens verstrekken onjuiste nationaliteits- en reisgegevens
Eiser, met de Syrische nationaliteit, kreeg in 2012 een verblijfsvergunning asiel toegekend. Verweerder trok deze vergunning met terugwerkende kracht in omdat eiser onjuiste gegevens had verstrekt over zijn nationaliteit, gezinsleden en reisroute naar Nederland. Uit onderzoek bleek dat eiser ook de Libanese nationaliteit bezit, wat hij had verzwegen, en dat hij onjuist had verklaard over zijn reisroute.
Eiser stelde dat hij niet langer de Libanese nationaliteit bezit en dat terugkeer naar Syrië een schending van zijn rechten zou betekenen, met name artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde voor het verlies van de Libanese nationaliteit en dat zijn vrees voor uitlevering aan Syrië niet aannemelijk was gemaakt. Ook was er geen sprake van een beschermenswaardig familie- en gezinsleven met zijn in Nederland wonende broer.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht de vergunning introk op grond van artikel 32 Vreemdelingenwet Pro 2000, omdat bij bekendheid met de juiste gegevens de vergunning niet zou zijn verleend. De belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro viel in het nadeel van eiser uit, mede omdat hij onrechtmatig verblijf had gehad. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.