ECLI:NL:RBDHA:2017:13188
Rechtbank Den Haag
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift gegrond verklaard tegen DNA-afname minderjarige wegens disproportionele inbreuk op privacy
De rechtbank Den Haag behandelde het bezwaar van een minderjarige veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel. De veroordeelde was op het moment van de gepleegde delicten vijftien jaar oud en had een lichte werkstraf opgelegd gekregen voor diefstal en het bezit van een zakmes.
De officier van justitie stelde het bezwaar ongegrond omdat het afnemen van DNA bij de veroordeelde zou bijdragen aan de opsporing van toekomstige strafbare feiten, mede gezien eerdere veroordelingen. De raadsman voerde aan dat de uitzonderingsgrond van artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA van toepassing was vanwege de leeftijd van de veroordeelde en het ontbreken van recidiverisico.
De rechtbank oordeelde dat de uitzonderingsgrond inderdaad van toepassing was, mede omdat de straf opgelegd door de kinderrechter pedagogisch verantwoord was en bij meerderjarigheid mogelijk alleen een geldboete was opgelegd zonder DNA-afname. Tevens werd geoordeeld dat de DNA-afname een disproportionele inbreuk op de privacy van de minderjarige betekende. Het bezwaar werd daarom gegrond verklaard en de officier van justitie werd bevolen het celmateriaal te vernietigen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de DNA-afname van de minderjarige veroordeelde is gegrond verklaard en het afgenomen celmateriaal moet worden vernietigd.