Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 6 november 2017 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder
[B.V. X], te [plaats],
Rechtbank Den Haag
Eiser is eigenaar van een perceel met deels de bestemming 'Wonen' en deels 'Agrarisch-Glastuinbouw'. Verweerder heeft handhavend opgetreden omdat het deel met de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw' werd gebruikt voor niet-agrarische doeleinden, waaronder een schildersbedrijf en privégebruik, wat strijdig is met het bestemmingsplan.
Verweerder legde een last onder dwangsom op en verklaarde het bezwaar van eiser ongegrond. Eiser stelde dat het gebruik van het perceel voor glastuinbouw onmogelijk is vanwege bestemmingsgrenzen, dat handhaving onevenredig is, en dat nieuw beleid tijdelijke vergunningen mogelijk maakt. Ook voerde hij aan dat verweerder het gelijkheidsbeginsel schond door niet tegen vergelijkbare overtredingen op te treden.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht handhavend optreedt omdat geen concreet zicht op legalisatie bestond ten tijde van het besluit. Het nieuwe beleid was nog niet van toepassing. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat geen bewijs was dat vergelijkbare gevallen ongelijk werden behandeld. De begunstigingstermijn van twaalf weken werd als redelijk beschouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het handhavingsbesluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt het handhavingsbesluit en verklaart het beroep van eiser ongegrond.