ECLI:NL:RBDHA:2017:10841
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot toelating tot zelfmeldprocedure bij executie gevangenisstraf
De zaak betreft een gedetineerde die veroordeeld is tot een gevangenisstraf wegens overtreding van de Opiumwet en die vordert om alsnog te worden toegelaten tot de zelfmeldprocedure. De gedetineerde stelde dat hij de oproep voor zelfmelding niet heeft ontvangen omdat deze naar een adres in de BRP werd gestuurd waar hij niet meer verbleef. Hij betoogde dat de aanhouding onrechtmatig was en dat hij schade lijdt doordat hij niet van de voordelen van de zelfmeldprocedure kon genieten.
De rechtbank overweegt dat het openbaar ministerie beleidsvrijheid heeft bij de uitvoering van de zelfmeldprocedure, zoals vastgelegd in de Aanwijzing Executie. Een veroordeelde zonder BRP-adres komt in beginsel niet in aanmerking voor zelfmelding. De oproepbrief werd verzonden naar het toenmalige BRP-adres en retour ontvangen als onbestelbaar, waarna een arrestatiebevel werd uitgevaardigd.
De rechtbank stelt vast dat de gedetineerde op het moment van de beslissing geen BRP-adres had en dat de verantwoordelijkheid voor adreswijziging bij de gedetineerde zelf ligt. Daarom kan de zelfmeldprocedure niet op hem worden toegepast. De vorderingen worden afgewezen en de gedetineerde wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Vordering tot toelating tot de zelfmeldprocedure wordt afgewezen omdat eiser geen geldig BRP-adres had op het moment van beslissing.