ECLI:NL:RBDHA:2016:8303
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.W. Ente
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens onvoldoende geloofwaardige verklaring over homoseksuele geaardheid
Eiser, een Iraanse nationaliteithebbende man, diende een asielaanvraag in op grond van zijn homoseksuele geaardheid. Hij verklaarde Iran te zijn ontvlucht nadat hij betrapt werd op seksuele handelingen met zijn vriend in diens ouderlijk huis. Verweerder achtte de identiteit en nationaliteit van eiser geloofwaardig, maar niet zijn verklaringen over zijn homoseksualiteit en het bewustwordingsproces.
De staatssecretaris baseerde zijn afwijzing op artikel 31, lid 1, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser vaag en summier had verklaard over zijn zelfacceptatie en relaties. De rechtbank toetste de procedure en het onderzoek van verweerder aan de Werkinstructie 2015/9 en concludeerde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat eiser uitvoerig was gehoord.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende concreet en overtuigend had verklaard over zijn bewustwordingsproces en acceptatie van zijn seksuele geaardheid, ondanks herhaalde vragen en aanvullend gehoor. De verklaringen bleven beperkt tot algemene bewoordingen zonder diepgang, terwijl verweerder rekening hield met de context van Iran en een religieuze opvoeding.
De rechtbank vond dat verweerder terecht aan de verklaringen van eiser over zijn homoseksualiteit weinig gewicht had toegekend en dat het beroep ongegrond was. Er werden geen kosten aan een van de partijen opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende geloofwaardige verklaringen over zijn homoseksuele geaardheid.